De Belgische Herder

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Geschiedenis Kenmerken

De Kenmerken van de Hond


De opinies en de relatieve theorieën over de oorsprong van onze honden en hun ras blijven grotendeels omhuld in geheimzinnig en onderworpen aan controversen. Immers, sinds de verafgelegen millennia, toen de hond nauw samen leefde met de mens, heeft hij veel van zijn oorspronkelijke kenmerken verloren en andere verworven, zodat hij op geen enkele wilde soortgenoot meer lijkt. Het enige besluit dat we kunnen afleiden uit de vondsten van beenderen fossielen van de hond, is dat de prehistorische hondenbevolking samengesteld was uit verscheidene types, waarvan de afstamming onmogelijk te preciseren is. Eén zaak is zeker: de hond was het eerst getemde zoogdier
"De eerste kunst van de mens was de opvoeding van de hond, en het resultaat van die kunst is de verovering en het vreedzaam bezit van de aarde."

Aangezien de oorsprong van de oudste vriend van de mens, door geen enkele zekere veronderstelling is bewezen, zullen wij ons beperken, behalve enkele kleine details, tot het preciseren van de zoölogische positie van ons studieobject. De hond maakt deel uit van de hondachtigen (Canidae). Deze familie, samen met vele andere, hetzij de marterachtigen (marter, hermelijn, otter), de kleine beren (panda, wasbeertje), de beren, de viverridae (civetkat), de katachtigen (kat, tijger, poema) en de hyena-achtigen, stellen de orde van de vleeseters samen. Deze verschillende families kunnen in drie "superfamilies" worden onderverdeeld:

  1. de Herpestoidae (Hyaenidae en Viverridae) omwille van de afscheiding van de anale klieren, 

  2. de Arctoidae (Ursidae, Procyonidae en Mustelidae) die allen de gewoonte hebben zich of de buik, of de rug te wrijven, 

  3. de Cynofeloidae (Canidea en Felidae) waarvan het urineren om het territorium af te bakenen, een typische gedrag is.

Over dit onderwerp, werd de volgende paragraaf gekozen uit het uiterst interessante boek «Mes amis les Loups» van de Canadese bioloog Farley Mowat:

"Wie dan ook die een hond bij zijn dagelijkse wandeling heeft geobserveerd wanneer hij met geheven poot zijn persoonlijk teken achter laat op alle plaatsen die hem goed lijken, kan zich gemakkelijk de manier inbeelden waarop de wolf zijn territorium afbakent. Eén maal per week, doet de  "clan" de omtrek van het familiedomein om de afbakening te vernieuwen.

Dit toont het sterke gevoel van eigendom aan, zowel bij de hond als bij de wolf. De familie van de hondachtigen telt verscheidene soorten. In het uitmuntende werk «Les loups» van P.E.Victor en J.Lariviere van de Edities Fernand Nathan, delen de auteurs de huidige hondachtigen onder in 15 verschillende soorten onder dewelke men de soort "Canis" vindt. De hond vormt samen met de wolf, de dingo, de coyote, de jakhals en de eigenaardige "wolf van Abessinië", de soort "Canis", die voornamelijk is gekenmerkt door een afgeronde pupil, een frontale sinus met scherpe trekken en de aanwezigheid van 42 tanden. Bijde wolven, kan het voorvallen dat de eerste snijtand of de laatste maaltand ontbreekt. Dit is geen teken van degeneratie, maar een teken van evolutie. Op dit gebied en nog andere, is het boek van Eberhard Trumler «Hunde ernst genommen» erg leerrijk. Deze dieren zijn voorzien van een goed ontwikkeld reukorgaan, van sterke ledematen en een hoogstaande intelligentie.

Bij de vos, daarentegen, een andere hondachtige, is de muil scherp, de sinus van de schedelbeenderen en de neussplitsing ontbreken, de pupil is langwerpig en schuin, de staart is lang, sterk behaard en sleept op de grond. Bovendien is het lichaam nogal langwerpig en is in verhouding laag op de poten geplaatst. Tenslotte is het haar minder ruw dan bij de wolf en hyena. In tegenstelling tot de onmogelijke kruising van verschillende soorten, m.a.w. de onmogelijkheid van onderlinge vruchtbaarheid, kunnen de wolven, de prairiewolven, de jakhalzen en de honden, die tot verschillende soorten behoren wel onderling gekruist worden en geven ze zo geboorte aan bastaarden. De hond verschilt van de wolf en de jakhals in slechts twee kleine organische kenmerken: de ogen zijn minder schuin geplaatst en de staart is gekruld in plaats van recht. De wolf bezit een klier voor de staart die niet voorkomt bij de hond. De achterpoten bij de wolf bewegen zich op dezelfde lijn als de voorpoten, daar waar de hond zijn achterpoten plaatst tussen de afdrukken van zijn voorpoten. De bastaarden tussen honden en wolven zijn vruchtbaar, daarom beschouwen de naturalisten ze als halfbloed en niet als bastaard.

In zijn beknopt leerboek over Etnografie en speciale Zoötechniek (1922), had professor H.Zwaenepoel de lycaon (Canis pictus) eveneens bij de soort "Canis" ondergebracht.

Deze indeling kan verdedigd worden, aangezien het gedrag van de lycaon heel nauw samenhangt met dat van de wolf. Net zoals deze laatste, leeft de lycaon in kleine groepjes. Hij voedt zich voornamelijk ten koste van kudden antilopen, die ze al rennend opjagen, om vervolgens, een zwakker of ziek dier en ook heel vaak van het mannelijk geslacht, te omsingelen. De lycaon, voorzien van slechts vier tenen aan de voorpoten, is eerder geschikt om te rennen, daar waar de wolf meer het lichaam heeft van een draver. Ondanks de bekende originaliteit van hun aspect, kunnen de lycaons, die gemiddeld 70 cm schofthoogte hebben voor een gewicht van 30 kg, beschouwd worden als echte "wolven" van Afrika, het continent waar de wolf (canis lupus) slechts voorkomt in Cyrenaika. De Egyptenaren maakten gebruik van lycaons voor de jacht, net zoals honden en jakhalzen. Maar de verspreiding van de geur van de lycaon heeft hen van dit gebruik doen afzien. De jakhals verspreid eveneens een sterke lijfgeur, terwijl de hond er bijna geen heeft.

De hondachtigen zijn teengangers en komen overeen met het gemiddelde type van de huidige vleeseters. Het kauwapparaat is goed ontwikkeld zowel voor een alleseter als voor een vleeseter. Hun verteringsorganen, voorzien van een opmerkelijke verdraagzaamheid, laten hen toe om de meest uiteenlopende voeding te gebruiken. De tong is zacht en drinken al slobberend. Hun slanke ledematen, aangepast aan het lopen, hebben veelal vijf tenen aan de voorste ledematen en vier aan de achterste, uitzonderlijk vijf: de wolfsklauw, veelvuldig voorkomend bij sommige rassen (de Beauceron, heeft een dubbele wolfsklauw op de achterste ledematen; dubbel of enkel is gewenst bij de Pyreneese herder; de afwezigheid van een wolfsklauw bij de Briard heeft uitsluiting als gevolg: enkel de Picard is een uitzondering bij de Franse herders voor het dragen van een wolfsklauw). De wolfsklauw is erfelijk, maar het is niets anders dan het overblijfsel van de duim van de achterste ledematen.
De nagels zijn noch intrekbaar, noch scherp; het zijn ook geen wapens voor deze dieren, ze zijn enkel nuttig bij de voortbeweging.

De hondachtigen kunnen, omwille van hun stompe nagels, niet klimmen zoals de katachtigen, ze kunnen ook geen grote sprongen maken, maar het zijn bewonderenswaardige renners en hebben een groot uithoudingsvermogen. Ze lopen op het uiteinde van de tenen, net zoals de katachtigen. De voetzool is voorzien van ronde kussentjes of knobbeltjes. Een bijzonderheid van de hond, is dat, wanneer hij stapt, hij zijn lichaam schuin houdt, vooral wanneer hij draaft. Vooraleer een hond zich neerlegt, draait hij eerst een paar keer rond zijn as, krabt de grond en legt zich vervolgens neer op de zelfde manier als de wolven dat doen. De slaap van de hond is zeer licht, hij droomt ook dikwijls, we kunnen dat goed merken wanneer hij tijdens zijn slaap de staart beweegt, of zich opwindt en zachtjes blaft. De lichaamsvormen van de hond zijn elegant, hij is beweeglijk en dapper; zijn intelligentie is goed ontwikkeld. De hond heeft tien tepels: zes op de buik en vier op de borst (de twee eerste geven haast nooit melk). Hij is een relatief goed zwemmer, maar zal het water instinctief argwanen omdat het niet "zijn element" is.

De hondachtigen zijn goed voorzien op gebied van zintuigen. Hun gehoor is bijna even scherp als dat van de katten. Ze zien beter dan katten en hun reukorgaan is heel erg goed ontwikkeld. De herdershond heeft een zeer goed ontwikkeld gehoor. Minder gewijzigd dan de andere rassen op gebied van oorspronkelijke kenmerken, heeft de herdershond de manier van het hangen van de staart en de houding van de oren van zijn voorvaderen behouden. Zijn altijd rechtopstaand oor, zorgt voor een uitstekende akoestische hoek en is ook goed beweeglijk. Net zoals het paard, kan de herdershond zijn oor naar voor, achter of opzij richten naargelang het geluid van voor, achter of opzij komt. Oog en oor van de herdershond zijn steeds waakzaam en zijn dan ook zijn belangrijkste kwaliteiten, zodat hij allereerst als waakhond de kudde werd verkozen en later als hond geschikt voor alle soorten dressuren.

De vocale uitingen en gebruiken zijn nogal uiteenlopend naargelang het ras. De dingo huilt, kermt of jankt, maar blaft niet. Is het geblaf dan, zoals sommige beweren, een onnatuurlijke stem, en dus, aangeleerd door tamheid ? Niettegenstaande er over het algemeen slechts sprake is van hun gehuil, hebben de wolven een meer uitgebreid register. Merkwaardig of vanzelfsprekend, komt het, op een paar kleine details na, overeen met het register van de hond: jammeren, janken, gegrom, blaffen en huilen. Overdag verbergt de wolf zich in bosrijk milieu want hij is er minder kwetsbaar, 's nachts jaagt hij. Over het algemeen ontvlucht hij de mens en zijn beschaving, en is hij moeilijk tembaar. De zwarte wolven zijn niet zo zeldzaam in Canada waar ongeveer 20% zwart is in elke dracht, tenminste in het zuiden en het centrum van het land. Ze worden de wolven van het woud genoemd; er is inderdaad een kleurovereenkomst met hun woonplaats, wat toch een voordeel is zijn ook zeldzame zwarte wolven in Oost Europa, maar in grotere mate in Siberië.

In tegenstelling tot de wolf, is de prairiewolf overal aanwezig waar de mens door ontginning en bebouwing, zijn territorium heeft vergroot, want de prairiewolf houdt niet zo erg veel van bossen en verkiest te jagen in grote vlakten. Onbekend in Quebec, is hij er nu aangekomen vanuit het westen. Na een geleidelijke evolutie, heeft de prairiewolf reeds de oevers van de St-Laurent bereikt. Hij geeft ons het bewijs dat een kunstmatige verandering van de natuur (ontbossing, ontginning, vervanging van bos of steppe door akkers en weilanden) een verandering van fauna, de invoering van nieuwe soorten of de verdwijning van reeds bestaande soorten met zich mee kan brengen.

Terwijl de wolf een roofdier is, is de jakhals een aaseter, hij jaagt ook op kleine dieren, eet vogeleieren, sprinkhanen en fruit. De jakhals keft en zijn communicatiesysteem lijkt veel op dat van de wolf, maar de gewoonten van de jakhals zijn verschillend. Net zoals de prairiewolf, ontvlucht hij de mens niet maar zoek zijn aanwezigheid op. Ze zijn uiterst sociaal en makkelijk tembaar. Ze gelijken of door de kleuren of door hun opbouw op de minst veranderde hondenrassen.

Het is door verscheidene van deze vaststellingen dat uitmuntende zoölogen de hypothese hebben geformuleerd om de oorsprong van de herdershonden te zoeken bij de jakhalzen. Dit is een zeer interessante theorie, maar men moet ook weten dat de hersenen en het hart van een jakhals kleiner zijn dan die van een hond. Nochtans vermindert het gewicht van de hersenen en het hart met 20 tot 30% bij temming. Aan de andere kant, bij de vergelijking van het gebit, is er meer gelijkenis tussen het gebit van een wolf en dat van een hond, dan tussen het gebit van een jakhals en dat van een hond. In het huidige stadium van onderzoeken en gebruikte technieken, heeft de meerderheid van de zoölogen zich geschaard achter de algemene opinie dat de hond het product is van verscheidene soorten getemde wolven.

In zijn boek «In het spoor van de wolf» verhaalt de Nederlandse etholoog Jan Hilco Frijlink zijn studies, zijn opzoekingen en zijn ervaringen met de wolf, dewelke, zegt hij, dank zij zijn intelligentie, zijn buigzaamheid, zijn organisatie en algemeen gedrag, een dier is dat zich bovenaan de ladder van de evolutie bevindt. Hij steunt eveneens de veronderstelling dat de hond een getemde wolf is waarvan de oorsprong waarschijnlijk de "canis lupus pallipes" is, een Indische wolf met eerder kort haar en lichte kleuren, die leeft in een gebied dat zich uitstrekt van Iran tot Turkije. Hij zou aan de oorsprong liggen van de herdershond van Centraal Europa. De "canis pallipes" zou de minst wilde en de meest wendbare zijn van alle wolven. Dat verklaart de gemakkelijke temming die resultaat is van een lange ontwikkeling gedurende millennia. Meer familiaal, is de Indische wolf eveneens de enige die wat men "wolvenkinderen" noemt, heeft grootgebracht. Aangezien hij niet geterroriseerd wordt door de mens, kan hij zich vestigen in de nabijheid van een dorp. Hij huilt en blaft niet. De Indische wolf is niet helemaal zoals onze Europese wolf, hij is een heel stuk kleiner. De schedel van een herdershond, vergeleken met die van een lupus pallipes, vertoont heel wat overeenkomsten. Het willen kruisen van een herdershond met een wolf, zoals sommige amateurs van andere rassen hebben geprobeerd, is het begaan van een zwarte fout. Dat zijn de vaststellingen van de kynoloog Louis Huyghebaert in zijn bundel «Des loups et métis de loups» en van Eberhard Trumler in zijn reeds vernoemde werk «Hunde ernst genommen.



Laatst aangepast op zaterdag, 04 december 2010 17:13  
Aantal Bezoekers

Webmaster Geert Fokkens