De Belgische Herder

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Geschiedenis Oneinigheid

Onenigheid in de Gelederen


 
In een bijeenkomst van midden 1898 van de Club du Chien de Berge Belge (verschenen in "Chasse et Pêche nr.46 van 14 augustus 1898) werd er een brief voorgelezen van de secretaris generaal van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, Mr.van Du Pre, in dewelke de verdeling van de Belgische Herdershonden naar gelang de drie soorten vacht en naargelang de drie vastgestelde kleuren in drie types, in drie rassen.

De veearts van Hertsen, lid van de club en spreker van de dag, bevestigde dat men reeds lange tijd de kleur van elke vacht had moeten vaststellen. Alle dierenrassen hebben hun eigen kleur; de herdershonden mogen geen uitzondering maken, beweerde hij. De filosofie van deze spreker kan men als volgt samenvatten: Het zwart is het kenmerk van kracht en intelligentie. Het bleke verraadt de degeneratie.
 
Op het einde van de bijeenkomst, vroegen verscheidene leden aan Mr.van Hertsen wat de aangewezen kleur was. Deze antwoordde dat hij niet van een gedefinieerde kleur had gesproken, maar met de bedoeling. De kwestie is niet voldoende bestudeerd. We zullen de details bespreken nadat we het eens zijn over het principe van de kleuren. Het is duidelijk dat de Belgische Herdershonden verdeeld zijn in drie categorieën naargelang de lengte en de bouw van de vacht. Is het nodig dat er voor elk van deze groepen een aparte kleur wordt aangeduid? Aanvaarden wij het principe van de kleur? De Voorzitter Mr.Libens heeft deze vraag ter stemming voorgelegd en er werd eenstemmig  "ja" geantwoord.

Het is waarschijnlijk zo, dat indien de wereld van de kynologie kennis had van de erfelijkheidswetten van Johann Gregor Mendel, religieuze augustijn en Oostenrijks plantkundige (1822-1884), men de fout niet had gemaakt om het bestaan van de Tervueren te ontkennen, noch de vaalrode ruwharigen in het voordeel van de peper-en-zout kleurige. De wetten van Mendel werden eerst niet erkend, tot hun wederoptreden bij het begin van deze eeuw. Sindsdien, heeft de eeuw de chromosomen ontdekt, die samengesteld zijn uit duizenden genen, die de dragers van de erfelijkheid zijn; en de genetica, wetenschap van de erfelijkheid, heeft zich aanzienlijk ontwikkeld.

Men besliste, in 1898, de langharigen, en in 1899, de kort- en ruwharigen, een specifieke kleur toe te kennen, meer bepaald:  
  1. Het zwart voor de langharigen
    Het succes behaald, tijdens de tentoonstelling van 12 maart 1898, door de Groenendaals in vergelijking met de andere langharigen die een zeer negatieve waardering kregen van de keurmeester, professor A.Reul, moet zonder enige twijfel in overweging genomen worden.
  2. Het vaalrood met een zwart masker voor de kortharigen. Omdat op dat moment een zeer mooie hond, Tomy, met een ideale bouw en met een sterk geaccentueerd zwart masker, alle concurrentie versloeg (hij behaalt onder meer de 1e prijs te Cureghem in 1894), het was zijn vaalrode vachtskleur die als keurtype van de variëteit werd aangenomen. De regel, die streng werd toegepast, om zich aan één enkele kleur te houden, heeft enorm bijgedragen om bij de kortharige herdershonden de gekozen kleur op te leggen.
  3. Peper-en-zout voor de ruwharigen.
    De honden van de herder J.B.Janssen uit Laeken die een ganse groep gekenmerkte ruwharigen bezat die homogeen waren werden verworpen. Men verkoos de peper-en-zoutkleurige exemplaren waarvan er slechts twee bekend waren in die tijd, aan Mr.A.Claessens. Professor A.Reul uitte zich later als volgt over dit onderwerp:
"Is het niet die familie dewelke de Belgische Club, en niet zonder goede zoötechnische redenen, als vreemdeling wordt beschouwd, aangezien ze slechts een variant is van de Briard aangepast aan de Belgische grond?"
Deze keuze zal een fout blijken vanwege professor A.Reul. Is hij niet beïnvloed geweest door de eigenaars van de peper-en-zout kleurige, die actief lid waren van Club du Chien de Berger Belge, terwijl de herder J.B.Janssen enkel Vlaams sprak en begreep?
 
Waarom heeft men de andere vachtkleuren terzijde gelaten? Waarom heeft men de gestroomde en de licht vaalrode, de lichtgele en de zwart kortharige verworpen? Veel goede honden waarvan de kleur niet overeenkwam met deze voorzien door de standaard, zagen zich verdrongen op de tentoonstellingen en dat gaf het ontstaan aan ontevredenheid waarvan de gevolgen zich vandaag nog manifesteren. Men verworp een groot aantal goede voorttelers met een andere kleur, waaronder de meest talrijke van die periode, de gestroomde. Op de eerste internationale hondententoonstelling van 22, 23 en 24 april 1899, georganiseerd door de Luikse Kynos Club en beoordeeld door professor A.Reul, enige keurmeester van die tijd, werd de eerste prijs van de open klasse voor kortharige reuen en teefjes, toegekend aan Fox, een gestroomde van Mr.A.Braconnier. De tweede prijs werd behaald door Malitou, een zwarte kortharige met een witte vlek op de borst.
 
De langharigen waren in twee klassen ondergebracht, de zwarten en de anderen dan zwart. In deze laatste klasse, krijgt Duc een gestroomd exemplaar de tweede prijs. Voor de ruwharigen, werd de eerste prijs toegekend aan Basoef, peper-en-zoutkleurige. De vaalrode exemplaren waren reeds sinds half 1898 van de tentoonstelling verbannen. Waarom slechts één kleur per haarsoort? Niet omdat deze enkel waarde had, maar omdat ze een groter aantal aanhangers samenbracht en omdat ze een manier leverde om meer homogeniteit in de klassen te brengen voor de tentoonstellingen.

Dit schreef Mr.F.Verbanck in 1938:
"Was het goed of slecht om een dergelijke maatregel uit te vaardigen? Het is vanzelfsprekend dat door deze strenge begrenzing van één enkele kleur per variëteit, onze fokkers verplicht zijn om over te gaan tot het gebruik van inteelt. Dit heeft vast en zeker zijn voordelen getoond, want de verheffing tot de adelstand van onze herdershond werd hierdoor bespoedigd. Helaas heeft deze maatregel het fokken op een zeer nauwe basis doen bouwen. Zou het niet beter geweest zijn voor de toekomst van onze langharigen, om naast de zwarte Groenendaals, de grijze langharigen te laten bestaan? Persoonlijk betreur ik de verdwijning van de lichtvaalrode Kempense herdershond (Type Fram van Mr.Huyghebaert), lichtgrijze met een donkerbruine mantel en zwart fluwelen oren zoals er voorkwamen in de nest van Fram du Bois de la Deule, ook donkergrijs gestroomd, zwaarder van bouw dan die ik heb ontmoet bij herders in de omstreken van Gent en ook zwarte kortharigen kwamen toen voor.
De keus van de ene kleur voor de ruwharigen is nog de meest ongelukkige van allemaal, want de peper-en-zoutkleurige waren uitzonderingen en niettegenstaande de uitsluiting van de vormden de vaalroden de meerderheid in deze klasse."

Het is zo dat de vaalrode honden met lang haar, ruw haar en de herdershonden van Mechelen met een lichtvaalrode kleur met een bijna witte donsvacht, niet meer verschenen zijn in de ring. Allemaal deze types, vroeger overladen met diploma's en medailles, zijn nu meedogenloos opgeofferd als Belgische Herdershond. Moet men in de uitsluiting, uitgesproken door de Club du Chien de Berger Belge tegen de honden van de afdeling Mechelen, die niet geraadpleegd werd, geen fenomeen van overheersing vanwege de hoofdstad op de provincie terugvinden? Daarentegen, het grotendeel van deze honden, die een lichtgele kleur hadden, te licht om vaalrood te zijn, ontmoedigde deze groep liefhebbers niet helemaal. Eén van hen gekozen tussen de individuen, Cora I (LOSH 6134) die bijna niet vaalrood was, werd gedekt door Tomy van Mr.H.Seghers uit Brussel. Hij verkreeg hierdoor bij het eerste proefstuk, Tjop (LOSH 6132), geboren op 1 november 1899, die alle kwaliteiten bezat, gezocht door de Club: stijl, statig voorkomen en een mooie kleur. Hij had zoals zijn vader weinig masker, maar was donkerder dan zijn vader.
 
Het is dan dat een andere groep liefhebbers de "Vereniging van de Belgische Herders" oprichtte, die te Laeken in de tuin van het "Rode Huis" zijn eerste tentoonstelling hield, voorbehouden aan het eerste slachtoffer van het principe van één enkele kleur per type vacht, m.a.v. de variëteit met vaalrood ruw haar, die als gevolg de naam van "Laekense Herder" toebedeeld kreeg. Vanaf dat moment, vervolgde het fokken van de Belgische Herdershond, de ene kant, onder de hoede van de Club du Chien de Berger Belge waarvan de bloei nog beter werd, langs de andere kant, voor de niet erkende vaalrode exemplaren, onder de vlag van de Veren van de Belgische Herders gesticht op 18 juli 1898 te Laeken en die "Koninklijk" werd ter gelegenheid van zijn vijfentwintigste verjaardag en dat dank zij het dynamisme en de vastberade van zijn voorzitter, Joseph de Mulder.

Eind 1902, brachten de leden van de Vereniging van de Belgische herders, de keurmeesters van de Club du Chien de Berger Belge in een vervelende situatie door hun honden in te schrijven in de klassen van niet genoemde of vermelde rashonden. Eén van hen vatte zijn indrukken samen door te zeggen dat het bestaan van een tweede club van de Belgische Herdershonden zich niet rechtvaardigde wanneer de eerste klassen van herdershonden wil oprichten met langharigen anders dan zwart en ruwharige herdershonden anders dan peper-en-zoutkleurig. Het aantal tentoongestelde honden zou worden verhoogd ten voordele van nationale fokkerij.
In zijn verslag van de tentoonstelling van 19 april 1903 van de Club du Chien de Berger Belge, handelde de keurmeester V.Fally als tolk voor de gevoelens van de meeste amateurs. Deze verklaart dat ze eenstemmig erkennen dat, indien het fokken van de ruwharige herdershond niet ernstiger wordt genomen, het ogenblik niet veraf is dat hij volledig verdwijnt.
 
Enkele jaren later zou een andere scheuring gebeuren in de wereld van de honden. De Koninklijke Maatschappij St-Hubertus oefende een te strenge voogdij uit over de gehele kynologie en de speciale clubs. De fokcommissie had als opdracht alle vragen op te lossen zonder mogelijkheid tot het in beroep gaan.
 
Het is zo dat in 1903, teruggekomen van een bezoek aan het secretariaat van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, Mr.van Muylem, voorzitter van de Belgische Club van de St-Bernard, het "ex cathedra" en onlogische besluit aankondigde dat uitgevaardigd werd door het comité van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, dat er geen kampioenschap zou worden gehouden voor de kortharige St-Bernard op de volgende tentoonstelling, en dat terwijl de kortharige St-Bernard de oorsprong is van het ras en dat de fokkers van langharige honden steeds genoodzaakt zijn een toevlucht te hebben tot de kortharige honden indien ze het type van hun honden niet willen zien degenereren. Dit voorval samen met vele anderen, brachten aan het licht dat de leden van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus bijna allemaal liefhebbers zijn van jachthonden, en slechts in kleine mate geloofden in de vragen omtrent honden die niet bestemd zijn voor de jacht. Om de omstandigheden van die tijd te situeren, moet men weten dat de Maatschappij St-Hubertus gesticht is door jagers (vandaar de naam St-Hubertus, patroonheilige van de jagers) met als belangrijkste doel het verbeteren van de hondenrassen (in die tijd bestonden noch de Belgische, noch de Duitse herdershonden), maar ook om zich bezig te houden met alles wat met de jacht te maken heeft. Dit was de inhoud van het eerste artikel van het reglement. Sint Druor was de patroonheilige van de herders en werd meestal voorgesteld als pelgrim met in de hand een pelgrimstaf en vergezeld van een schaap. Hij werd echter zelden ter sprake gebracht.

Het is zo dat in 1904, een mededeling is gegeven aan de afdeling Mechelen doormiddel van een brief van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, die de spijt uitdrukt de gevraagde certificaten van de kampioenschappen in zicht van de praktische proeven (ring) die plaats hebben in april 1905, niet te kunnen uitvaardigen omdat deze certificaten enkel worden toegekend bij proeven bestemd om de kwaliteiten van elk ras werkhond te benadrukken: "Field trials" voor de staanders en "proeven op schapen" voor herdershonden enz. In het rapport van 1905 erkent de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus gezwicht te zijn voor de verzoeken van de afdeling van Mechelen door het toekennen van certificaten van het kampioenschap aan deze wedstrijden. Ook wilden sommigen veranderingen aanbrengen in het bestuur van de hondensport.
 
Op 15 februari 1905 werd een Algemene Vergadering gehouden overeenkomstig de statuten van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus. De vergadering vond plaats in het hotel van Belle Vue te Brussel. Op het programma stond de verkiezing van negen leden ter vervanging van het aftredende comité. Het volledige comité telde 27 leden, vertegenwoordigers van de beschermde verenigingen, die allen herkiesbaar waren. Sommigen onder hen vonden dat ze hun rechten niet genoeg konden doen gelden en daarom werd er een lijst opgesteld van de kandidaten die het moeten opnemen tegen de aftredende leden. Op deze lijst, stond Henri van Albada de Haan Hettema, toen voorzitter van de Club du Chien de Berger Belge, die lid was van het huidige comité van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus en de luitenant Ch.Roberfroid, eveneens lid van de Club du Chien de Berger Belge. Deze nieuwe lijst verkreeg de meerderheid van de stemmen.
 
Het comité van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus besloot in een bijeenkomst, gehouden op 9 maart 1905, een raadplegende commissie op te richten, samengesteld uit afgevaardigden benoemd door de beschermde verenigingen. Het was de beginfase voor de huidige Vergadering van de afgevaardigden.
Langs de andere kant, verklaarde het comité dat het gebruik van een volmacht de verkiezing ongeldig maakte. In werkelijkheid was één persoon erin geslaagd 26 volmachten te verzamelen en ze te gebruiken met andere bedoelingen dan vooropgesteld door de lastgevers. Een nieuwe Algemene Vergadering had plaats op 16 maart 1905. Men had geen enkele overeenkomst kunnen uitwerken in de kern van het comité, noch voor de modaliteit, noch voor een lijst van "verstandhouding" om voor te leggen aan de Algemene Vergadering, de leden, verkozen tijdens de Algemene Vergadering van 15 februari namen ontslag op de vooravond van de nieuwe verkiezing en hielden zich afzijdig op de Algemene Vergadering. Vanaf dat moment, was de breuk volledig en verscheen de "Belgische Federatie van Hondenrassen" opgericht te Brussel op 18 juni 1905.

Op 21 oktober 1905, betekende een brief van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, dat "Chasse et Pêche" ophield het officiële orgaan te zijn van de Club du Chien de Berger Belge nadat de Club had afgezien van het beschermheerschap van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus. Ook hier was de breuk volledig. De Mechelse afdeling van de Club du Chien de Berger Belge, besloot inde vergadering van 11 november 1905, om trouw te blijven aan de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus en ontslag te nemen bij de Club du Chien de Berger Belge. De afdeling van Mechelen werd autonoom onder de naam van "Maatschappij van de Belgische Herdershonden". De professor A.Reul, na ontslag genomen te hebben bij de Club du Chien de Berger Belge, werd er de erevoorzitter. Louis Huyghebaert nam in 1903 ontslag bij de Club du Chien de Berger Belge.
Begin 1906, verscheen de Vereniging van de Belgische Herders in de verslagen van de speciale clubs in "Chasse et Pêche". Verzocht door de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, stemde de Vereniging van de Belgische Herders toe maar stelde vooraf als voorwaarde de aanvaarding van de variëteiten met vaalrood lang haar en vaalrood ruwhaar, waarvan de Club du Chien de Berger Belge niet had gewild en organiseerde op 5 mei 1907, de vijfde tentoonstelling en haar eerste onder de bescherming van de  Koninklijke Maatschappij St-Hubertus. Het was de eerste tentoonstelling waar de vijf variëteiten van de herdershonden, die nu officeel erkend waren, vertegenwoordigd werden. Onder deze vijf variëteiten, vond men het vaalrood terug bij de drie haarsoorten.

De Belgische Federatie van Hondenrassen bij dewelke de Club du Chien de Berger Belge zich aansloot, kende in 1907 en 1908 moeilijke momenten. Het officiële orgaan "Chasse et Elevage", verdween. In 1907, werden min of meer vertrouwelijke besprekingen gehouden onder zekere bestuurders van de Belgische Federatie van Hondenrassen en de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, die eindigden in een verdrag getekend op 8 januari 1908. Maar dit verdrag werd niet eenstemmig onthaald in de kern van de Belgische Federatie van de Hondenrassen, die het ontstaan gaf aan ernstige onrust. De Club du Chien de Berger Belge werd verzameld voor een buitengewone Algemene Vergadering op 2 februari 1908. De Club beschouwde het verdrag tussen de Federatie en de Koninklijke Maatschappij als ongeldig en onbestaand. Bovendien stelde de Club dat, indien de overeenkomst gewenst was door de meerderheid, deze enkele kon gebaseerd zijn op een bondgenootschap dat vooraf werd voorgelegd aan de verbonden clubs. En dit om in te stemmen met de waardigheid, het respecteren van de reglementen, van de instellingen en de voorrechten, die sinds drie jaar vastgelegd zijn als de voorwaarden van de toetreding tot de Federatie van Belgische Hondenrassen. Het weekblad "l'Eleveur Belge" is aangewezen als officieel orgaan van de Club.

Gedurende de vergadering van 7 februari 1980, stelde het comité van de Club du Chien de Berger Belge het volgende:
"Het comité vindt het nuttig om elk misverstand i.v.m. de bedoeling van de Club du Chien de Berger Belge uit de weg te ruimen. Daarom is het comité van mening dat de gesprekspunten die op de agenda van de Algemene Vergadering van 2 februari voorkomen, geen vijandig karakter hebben ten opzichte van de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus. Zij blijkt immers geen enkele verantwoordelijkheid te hebben voor de gebeurtenissen die dit hebben teweeg gebracht. Dit comité uit de wens om hartelijke betrekkingen tot stand te zien komen tussen de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus en de Federatie van Belgische Hondenrassen.
 
Deze vriendschappelijke betrekkingen kwamen reeds op de voorgrond tijdens de 25ste hondententoonstelling georganiseerd door de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus op 14, 15 en 16 maart 1908, en aan dewelke twee van de drie officiële juryleden van de Club du Chien de Berger Belge deel namen. Helaas, en nog steeds door onwetendheid van de genetische wetten, maakte de redacteur van de "l'Eleveur Belge" een verslag ten opzichte van de  Koninklijke Maatschappij St-Hubertus voor de goed georganiseerde en goed bewaakte tentoonstelling, maar bekritiseerde sterk de aanwezigheid van de langharige en ruwharige vaalrode exemplaren, door de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus te verzoeken deze onzuiverheden uit de catalogus te laten verdwijnen.

Op 27 mei 1908 had de samenkomst plaats van de afgevaardigden van de Federatie van Belgische Hondenrassen, waarvan de gesprekspunten van de dag, de ontbinding en de te nemen maatregelen voor de opheffing waren. Een groep tegenstanders organiseerde echter op 13, 14 en 15 juni een tentoonstelling te Brussel in het park van de Halve Eeuw feesten: er werden 377 honden verzameld. Dit gaf de aanleiding aan de eerste manifestatie van een nieuw organisme dat was opgericht: "De Belgische Kennel Club". Deze bestaat uit diegenen die de voorwaarden van het absorberende verdrag, gesloten onder enkele afgevaardigden van de Federatie van Belgische Hondenrassen en de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, weigerden te aanvaarden. Ze rechtvaardigden hun handelingen door het neerschrijven van hun grieven in een "Lettre ouv" daterend van 20 juli 1908. De Belgische Kennel Club bezit zijn eigen stamboek (L.O.B.).
"l'Eleveur Belge" hield definitief op te verschijnen bij het uitbreken van de vijandelijkheden van 1914-1981. Tijdens de Algemene Vergadering van 27 december 1909 besloot de Club du Chien de Berger Belge zich niet aan te sluiten bij de Belgische Kennel Club, maar om onafhankelijk te worden en zich om te vormen tot een fok syndicaat, een professionele unie erkend door de Regering. De Club besliste ook, enige tijd daarvoor, om de vaalrode Belgische Herdershond met langhaar te erkennen.

Niettegenstaande de verdeeldheid en dat dank zij de koppigheid van sommigen, kon men het type verenigen. In een korte periode van 12 tot 15 jaar, komt de Belgische Herdershond, aanvankelijk een onregelmatige stapel, tevoorschijn als een intelligente rashond. De domme gebruiken van het wegsnijden van de staart en de ontworming waren verdwenen. De Belgische Herdershond is in eerste instantie een elegante en krachtige hond zonder loomheid. Het is een goedgebouwde hond, kort of vierkant, met een hoekigheid zonder extremen. Dit verklaart waarom het ras in het algemeen vrij is van heup- en dijdysplasie en voor het oog, vrij is van de pannus, een ziekte van het hoornvlies die woekert in andere beroemde rassen. De Belgische Herdershond heeft geen bijzondere pathologische dominanten. Hij is een prachtige wedstrijdhond geworden en zal door de vreemdelingen worden geadopteerd. Dit kan men lezen in het rapport van de Algemene Vergadering van Club du Chien de Berger Belge ter gelegenheid van zijn tienjarig bestaan (1908):
"Wat onze honden betreft, schoongemaakt, gewassen, geborsteld en gekamd, hebben ze een nieuwe sociale rang verworven. Tien jaar geleden onbekend, worden ze vandaag uitgevoerd naar Frankrijk, Algerije, Rusland, Spanje, Nederland en zelfs naar de Verenigde Staten en Argentinië."
 
Vooral de Groenendaals en de Mechelaars waren graag gezien door het publiek. Om het honderdjarige bestaan van zijn onafhankelijkheid te vieren, richtte de Argentijnse Republiek een Internationale Landbouwkundige Tentoonstelling in te Buenos Aires. Dank zij de inzet en de toewijding van Mr.A.van Schelle, Voorzitter van de club voor Rode Kruis-honden en Mr.Fumiere, functionaris in het departement van de landbouw en met het kapitaal samengebracht door "Cooperatieve Maatschappij voor het vervoer en de vertegenwoordiging van de honden op buitenlandse tentoonstellingen", werden zes Groenendaals en zes Mechelaars op de "Coburg"ingescheept op vrijdag 20 mei te Antwerpen samen met Mr.Frantz Huyghebaert met als bestemming Buenos Aires, Zij werden voorafgegaan door een lading Belgische paarden en kippen. Elf honden werden verkocht in Argentinië voor de totale prijs van 6.338,30 franken. Enkel Duco, Groenendaal van Mr.Bernard, kwam naar ons land terug.
 
Op 11 maart 1910, onder het voorzitterschap van Mr.Vital Tenret, kwam de samenstellende raad van een nieuwe club samen, voor de bescherming van de zwarte langharige Belgische Herdershond. De redenen die deze amateurs hebben aangezet tot het oprichten van de Groenendaal Club, die parallel bestond naast de Koninklijke Vereniging van de Belgische Herders, zijn als volgt samengevat in de "Journal des Eleveurs" van 1910:
"Er bestaat nu een belangrijke verandering in de groepen van amateurs, die opnieuw willen proberen om vaalrode honden met lang haar, die ze door omstandigheden de Tervueren hebben gedoopt, te fokken. Het is perfect, maar daarbij komt nog dat ze Groenendaals kruisen met Tervuerens (om de inteelt op te heffen, blijkt het). En in de drachten vindt men natuurlijk zwarte, vaalrode en ook gestroomde exemplaren. Wat zullen deze honden in de toekomst voortbrengen? Men kan niet zeggen of ze vaalrood, zwart of gestroomde nakomelingen zullen geven. Men bouwt reeds 15 jaar aan dit prachtige ras van Groenendaals, en nu proberen amateurs het te schaden door kruisingen."
De Groenendaal Club ontwerp een systeem voor het toekennen van een stamboom zonder dat misbruik mogelijk was. De ingebruikname van een afzonderlijk stamboek, droeg bij tot de afschaffing van de kruising met vaalrood langharige honden.
De Groenendaal Club organiseerde zijn eerste tentoonstelling op 23 en 24 oktober 1910, in samenwerking met andere clubs (waaronder de Vereniging van de Belgische Herders) en met de toegelaten aanwezigheid van alle andere variëteiten van de Belgische Herdershond.
In 1910, besloot de Club du Chien de Berger Belge om naast de zwarte, langharige Groenendaal, ook de vaalrode, langharige Tervueren op te nemen in de standaard. De peper-en-zoutkleurige ruwharige maakte plaats voor de ruwharige van alle kleuren. Voor de vaalrode kortharige Mechelaar vond er geen enkele verandering plaats (met zwart masker en zoveel mogelijk met een donkerbruine mantel). De zwarte korthaar zal in 1929 door de Belgische Kennel Club worden erkend. Sindsdien, onderscheidt de Belgische Kennel Club vijf variëteiten van het ras. In 1914 zullen twee herzieningen van de standaard plaats grijpen: de ene door de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus, de andere door de Belgische Kennel Club. Deze gelijktijdigheid in de hervorming als gevolg van een akkoord over de oorzaken, zal de uitvaardiging van de twee standaarden met zich meebrengen. Voor de Belgische Kennel Club wordt de standaard geadopteerd door het Congres van de Jury in 1914 en is nog steeds actueel.
Het is uiterst spijtig dat in een land zoals België, er geen éénheid was in de hondenwereld en in het bijzonder ter bescherming van de Belgische Herdershonden. Het was dus onmogelijk om aan de hoofdzakelijk buitenlandse druk te weerstaan, vooral van fokkers van de Duitse Herdershonden. Gestart na de onze, werd de Duitse fokkerij, bestuurd door slechts één club ("Verein für Deutsche Schäferhunde"), die slechts één stamboek bezat, één standaard (de kenmerken van het ras van de Duitse herdershond werden opgesteld op 30 september 1899 in Frankfurt) en één voorzitter: de Rittmeister von Stephanitz, met methode georganiseerd. De Duitsers hebben elke onderverdeling van het ras (behalve de witharige honden) terzijde gelaten. De lengte van het haar gaat van kort tot lang haar. In hun werk van selectie, hebben de Duitsers slechts de structuur van het type op het oog gehad en zijn ze er in geslaagd om de homogeniteit te bereiken en om honden voort te brengen waarvan men de ander kwaliteiten kan bespreken, maar die ontegensprekelijk een impressie van imposante kalmte en kracht geven.

Laatst aangepast op vrijdag, 17 december 2010 16:14  
Aantal Bezoekers

Webmaster Geert Fokkens